Het wordt tijd om afscheid te nemen van de officier-raadsman in het militaire strafproces

beheerderBlog Comments

NJB officier-raadsman

In het militaire strafproces kan een officier van de krijgsmacht als raadsman van een andere, terechtstaande, militair optreden. Hij staat dan, net zoals de advocaat, een verdachte bij tijdens het strafproces. Er is echter iets bijzonders met deze zogeheten officier-raadsman aan de hand. De officier-raadsman behoeft geen jurist te zijn en is ook niet-onafhankelijk. In het volgende zal betoogd worden dat de officier als raadsman mede gezien deze twee kenmerken dient te verdwijnen uit het militaire strafproces.

Een verdachte is bevoegd zich tijdens het strafproces door één of meer door hem gekozen raadslieden te doen bijstaan.(1) Als raadslieden worden de in Nederland ingeschreven advocaten toegelaten.(2) In het militaire strafproces kunnen echter behalve advocaten ook officieren als raadslieden worden toegelaten.(3) De officier-raadsman heeft wettelijk gezien een met de advocaat vergelijkbare positie binnen het militaire strafproces.(4) De meeste officieren krijgen tijdens hun initiële opleiding onderricht in het (militair) straf- en strafprocesrecht, maar van een in het strafrecht gespecialiseerde jurist is bij de officier-raadsman in het algemeen geen sprake. Hierdoor kan dan ook van de officier-raadsman niet verwacht worden dat hij in voldoende mate de procedurele en inhoudelijke verweren onderkent die in een concrete zaak mogelijk zijn.

Dat er ook in theorie voor de officier-raadsman een niet geheel identieke rol als die van de advocaat is weggelegd blijkt wel uit de parlementaire geschiedenis.(5) De bijstand door een officier-raadsman dient zich volgens de ministers van Justitie en Defensie namelijk in het algemeen te richten op het verschaffen van inzicht in de specifiek militaire aspecten die aan het feitencomplex zijn verbonden en de sociale factoren die daarmee in verband staan. De officier-raadsman dient zich daarbij terughoudend op te stellen bij het verlenen van bijstand van meer juridische aard.(6) Dit uitgangspunt lijkt logischerwijs het gevolg van het feit dat de officier-raadsman in het algemeen alleen is opgeleid als militair en niet als jurist. De praktijk wijst uit dat officieren desalniettemin geheel zelfstandig als raadsman optreden en zich geenszins terughoudend opstellen bij het verlenen van bijstand van meer juridische aard.(7)
Dan hebben we nog het bezwaar van de niet-onafhankelijkheid van de officier-raadsman. De officier-raadsman is naast raadsman ook een gewone militaire ambtenaar. Een militaire ambtenaar die hiërarchisch gezien ondergeschikt is aan onder andere zijn werkgever, de Minister van Defensie. De officier-raadsman wordt door of vanwege zijn werkgever ingezet om een andere werknemer van diezelfde werkgever bij te staan. Het gaat daarbij niet eens om puur morele bijstand, maar om een wettelijke geregelde bijstand tijdens het militaire strafproces, welke bijstand normaliter is voorbehouden aan een daartoe opgeleid en beëdigd advocaat die (wel) moet voldoen aan een aantal fundamentele eisen, waaronder de eis van onafhankelijkheid. Over het nut en de noodzaak van de onafhankelijkheid van de advocaat lijkt geen discussie te zijn. De advocaat moet namelijk vrij van alle vormen van druk beroepsmatig kunnen handelen. Door de niet-onafhankelijke positie van de officier-raadsman kan de schijn ontstaan dat hij ook andere belangen dient. Een schijn die een raadsman tijdens het strafproces dient vermijden.

Bij de totstandkoming van de huidige Wet militaire strafrechtspraak is er bewust voor gekozen om de mogelijkheid voor officieren om op te treden als officier-raadsman te behouden. Maar de argumentatie daarvoor oogt nogal dun. In de MvT worden enkele argumenten tot behoud van de officier-raadsman in het militaire strafproces aangedragen.(8) Een aantal van die argumenten betreft de rol die de officier-raadsman tijdens het militair strafproces kan vervullen als deskundige omtrent militaire of sociale aspecten. Dergelijke argumenten lijken meer te pleiten voor de officier als (getuige-)deskundige dan de officier als raadsman. Een ander in de MvT genoemd argument is dat strafvordering zich in het buitenland af kan spelen en dat in dat geval een advocaat niet altijd voorhanden is. Maar is dit argument valide? In de uitspraak Salduz tegen Turkije heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangegeven dat voorafgaand aan het eerste verhoor er sprake moet zijn van ‘the assistance of a lawyer whose task it is, among other things, to help to ensure respect of the right of an accused not to incriminate himself’.(9) Dit laatste is afgaande op de MvT niet primair de taak van de officier-raadsman.(10) De bijstand door een officier-raadsman behoort niet primair gericht te zijn op de juridische merites van de zaak, maar meer op de typische militaire en sociale facetten en de mogelijk daaraan verbonden persoonlijke omstandigheden van de militaire verdachte. Reeds hierom kan gesteld worden dat de officier-raadsman niet als ‘lawyer’ kan worden aangemerkt. Ook het Openbaar Ministerie blijkt van mening te zijn dat de regels die verband houden met de verwezenlijking van het recht van de verdachte op consultatiebijstand niet van toepassing zijn op de officier die optreedt als raadsman.(11)

Samenvattend, er is een tweetal ernstige bezwaren te noemen tegen de officier die in het militair strafproces (zelfstandig) als raadsman optreedt. Op de eerste plaats het feit dat van de officier-raadsman niet wordt verlangd over voldoende kennis van het straf(proces)recht te beschikken en op de tweede plaats diens niet-onafhankelijke positie. Deze bezwaren kunnen in de praktijk zwaarwegende gevolgen hebben voor het verloop van het strafproces tegen een militaire verdachte. Daar komt bij dat als gevolg van de Salduz-rechtspraak onder meer het optreden van de officier-raadsman in het buitenland onder druk is komen te staan. Het voorstaande lijkt niet tot een andere conclusie te kunnen leiden dan dat het hoog tijd wordt om afscheid te nemen van de officier-raadsman in het militaire strafproces.

(Gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad 2012, p. 532-533.)

(*) Mr. S.M. Diekstra
(1) Artikel 28, eerste lid Wetboek van Strafvordering.
(2) Artikel 37 Wetboek van Strafvordering.
(3) Art. 23, eerste lid Wet militaire strafrechtspraak.
(4) Art. 23, vierde lid Wet militaire strafrechtspraak.
(5) Kamerstukken II 1982/83, 17 804 (R 1228), nr. 5, p. 35. Recent is dit standpunt nog bevestigd: Kamerstukken I 2009/10, 31 487 (R1862), nr. C, p.3.
(6) Kamerstukken I 2009/10, 31 487 (R1862), nr. C, p.3.
(7) Zie voor voorbeelden van zaken waar een officier-raadsman ter terechtzitting zelfstandig optreedt: Rb. Arnhem 27 september 2010, LJN BN8866, Rb. Arnhem 26 april 2010, LJN BM2265, Rb. Arnhem 1 maart 2004, LJN AO4591 en Rb. Arnhem 6 oktober 2008, LJN BF7314, MRT 2010, p. 155.
(8) Kamerstukken II 1982/83, 17 804 (R 1228), nr. 5, p. 35.
(9) EHRM 27 november 2008, 36391/02 (Salduz tegen Turkije); zie ook: EHRM 11 december 2008, 4268/04 (Panovits tegen Cyprus).
(10) Idem noot 9.
(11) Zie hierover de brief ‘Rechtsbijstand verhoor militairen’ d.d. 3 mei 2011 van het College van Procureurs-Generaal met kenmerk PaG/B&S/15709.